Naar de cardioloog; hoe en wat?

 

Een afspraak bij de cardioloog; spannend. Vooral als het een eerste afspraak betreft. Maar een reguliere controle-afspraak eveneens. Hoe hierop voor te bereiden? Young & Yearning helpt!

 

Let’s begin

Ben jij bekend met het Nederlandse spreekwoord ‘Een goed begin is het halve werk’? Oftewel, een goede voorbereiding is van groot belang. En dat is zeker het geval met betrekking tot een afspraak met een specialist (een cardioloog). Dus lees jezelf in en vergaar (achtergrond)informatie. Met name wanneer bekend is waarover jij het wilt hebben of waarop de afspraak zich richt. Hierdoor is het makkelijker om de cardioloog in kwestie te volgen wanneer hij/zij vertelt. Al helemaal indien medische termen ter sprake komen. Immers; je bent voorbereid. Mocht wat de cardioloog vertelt alsnog onduidelijk zijn? Schroom niet en vraag om uitleg ter verduidelijking, zelfs wanneer het onderwerp al is behandeld.

 

Schrijf, noteer of neem op

Waarom onthouden, terwijl papier binnen handbereik is? Te ouderwets? Pak de mobiele telefoon en noteer al jouw vragen in volgorde van belangrijkheid. Hierdoor ga je het gesprek rustiger in en hoef je niet bang te zijn om iets te vergeten (vragen).
Jouw notitiebrief of telefoonnotitie is een ideale geheugensteun. Daarnaast mag je tijdens het gesprek, gerust notities maken. Vind je dat lastig? Vraag naderhand aan de cardioloog om schriftelijke informatie. Het maken van een geluidsopname is toegestaan zolang de opgestelde spelregels worden nageleefd. Note to self: noteer naast de vragenlijst jouw verhaal en daarmee de reden van jouw bezoek aan de cardioloog door middel van steekwoorden en/of zinnen. Denk aan klachten/problemen, wat je daarbij voelt en wanneer. Indien van toepassing: neem een medicatieoverzicht mee. Op te vragen bij de apotheek.

 

Samen in plaats van alleen

Neem een naaste mee waarin je vertrouwen hebt. Diegene dient als houvast en biedt steun en is er om tijdens de afspraak mee te luisteren en waar nodig aan te vullen, dan wel vragen te stellen of door te vragen. Maar ook om notities te maken (check). Samen naar de afspraak gaan en het gesprek in te gaan maakt eerder genoemde punten niet overbodig. Integendeel: alle punten zijn een aanvulling op elkaar.

 

Een vervolggesprek (of twee, of drie…)
Is de hoeveelheid informatie die de cardioloog meedeelt immens waardoor één grote wirwar is ontstaan? Of wil jij alles nog eens rustig nalopen? Vraag een uitgebreid vervolggesprek aan met jouw cardioloog waarvoor een dubbele afspraak wordt ingepland. Op deze wijze hoeft de cardioloog zich niet te houden aan het geringe tijdsbestek (+/- tien minuten) van een regulier consult. Ontstressend voor beiden. Voel je niet bezwaard om net zo lang door te vragen totdat het verhaal volledig duidelijk is. Immers, het is jouw lichaam en jouw hartaandoening.

 

De huisarts

Maak na de afspraak met de cardioloog een afspraak met de huisarts en bespreek met hem of haar het gesprek. Jouw huisarts is in staat om alles na te bespreken en waar nodig (nogmaals) te verduidelijken. Daarnaast is de huisarts in staat om een adviserende rol (naast de cardioloog) op zich te nemen en in samenspraak tot het beste besluit te komen met betrekking tot jouw situatie. Verder kan de huisarts intercollegiaal overleg houden met de cardioloog (en/of andere specialisten) om (verdere) informatie in te winnen en/of te delen.

 

Algemene vragen als geheugensteun

Vragen stellen is belangrijk, sterker nog, de antwoorden op de vragen verschaffen duidelijkheid op jouw onduidelijkheden. Maar wat is een goede vraag? Wij noteerden algemene voorbeeldvragen die (kunnen) dienen als een eerste opzet. Let wel: gebruik deze vragen als leidraad en vul aan met specifieke vragen gericht op jouw situatie en jouzelf.

 

* Het gebruikte woord ‘situatie’ staat voor onderzoek, behandeling (ingreep) en/of besluit en is in onderstaande voorbeeldvragen door een ‘X’ vervangen.

 

  • Wat is de oorzaak van mijn klachten, dan wel hartaandoening?
  • Wat houdt X in en wat is het doel hiervan?
  • Wat houdt X voor mij in, oftewel, wat mag ik wel/niet verwachten over het algemeen en in het dagelijkse leven?
  • Is X de enige mogelijkheid, zo nee, wat zijn er nog meer voor mogelijkheden?
  • Indien een medicijn van toepassing is: hoe werkt het medicijn en hoelang duurt het voordat mijn klachten moeten verminderen?

 

De regels rondom  geluidsopname(s)

Tijdens de afspraak mag officieel het gesprek worden opgenomen. Hierbij moet  rekening worden gehouden met opgestelde regels:

  • Vraag van te voren toestemming. Indien de arts weigert is hij/zij wettelijk verplicht de informatie desgevraagd schriftelijk mee te geven.
  • De geluidsopname is voor jouzelf bedoeld en mag niet worden gedeeld met anderen of openbaar gemaakt worden.
  • De geluidsopname met anderen delen? Hiervoor dient uitdrukkelijk toestemming te worden gegeven door de arts.

(Bron: Rijksoverheid)

 

Wie pinda’s voert, trekt aapjes aan

 

De zorg is doodziek. Dat is niet alleen een constatering van vaatchirurg Cees Wittens, maar ook de titel van zijn onlangs verschenen boek. Computersystemen van ziekenhuizen zijn niet op elkaar afgestemd, zodat dokters niet snel genoeg weten wat een patiënt mankeert. Medici worden aangespoord om vooral zoveel mogelijk productie te leveren om de afgesproken zorgplafonds voor ziekenhuizen te halen, ook al is dat niet altijd nodig. En dat zijn zomaar twee voorbeelden die het topje van de ijsberg weergeven.

 

In de jaren ’70 van de vorige eeuw werd een arts in het ziekenhuis ondersteund door personeel in drie voltijdbanen. Nu wordt een arts ondersteund door medewerkers in maar liefst 33 voltijdbanen. ‘Minstens de helft van hen heeft geen idee wat de dokter doet’, weet Wittens. ‘Men speelt elkaar werk toe, maakt regeltjes, en vervolgens worden regeltjes gemaakt om regeltjes te controleren. Een soort zelfrijzend bakmeel, kortom!’

 

En intussen moet de patiënt steeds dieper in de vaak smalle beurs tasten om al die kosten via zijn verzekering te kunnen ophoesten. Het huidige systeem zit vol controlemechanismen die de zorg op de werkvloer eerder hinderen dan bevorderen. Niet in het voordeel van ons, patiënten, kortom. Om maar een voorbeeld te noemen: is de specialist die ons behandelt, wel goed? ‘Van de huidige 24.000 medisch specialisten zijn er in 2016 nog geen 20 uit hun vak gezet omdat ze het te slecht deden’, vertelt Wittens. ‘terwijl er statistisch gezien minimaal 5% ver onder de maat presteert, zijnde 1200 specialisten’. In plaats daarvan laten we ze gewoon doorwerken!’

‘Als je niet functioneert als specialist, moet je een ander vak kiezen. Daar hoor je geen patiënten aan op te offeren. De huidige tuchtraad is te slap, die geeft een slecht functionerende arts hooguit een standje. Foei, niet meer doen, hoor!’

 

Voor Wittens zou de hele sector grondig op de schop moeten. In zijn boek werkt hij de plannen daartoe uit. Er zouden minder ziekenhuizen moeten komen. Bovendien zouden we af moeten van de huidige mentaliteit in ziekenhuizen, werken van 8 tot 4. Daarbuiten worden alleen spoedgevallen behandeld.  Dat is niet van deze tijd, ook buiten die tijden zijn patiënten ziek en moeten dringend geholpen worden. Kortom: ploegendiensten in de ziekenhuizen waar complexe patiënten behandeld worden, 24 uur per dag en zeven dagen per week, vindt Wittens.

 

‘We hebben nu kostbare gebouwen met kostbare apparatuur die maar 6-8 uur per dag gebruikt wordt, en op vrijdagmiddag om 15 uur op slot gaan’, weet Wittens. ‘Te gek voor woorden, heel inefficiënt!’

 

Er moeten nieuwe ziekenhuizen gebouwd worden, vindt hij. Dat wil zeggen twintig 24-uurs-centra, per miljoen inwoners één ziekenhuis. Die nieuwe hospitalen moeten identiek zijn aan elkaar, dat scheelt enorm in de architect-, bouw- en onderhoudskosten. In alle ziekenhuizen wordt volgens de jaarlijks geactualiseerde richtlijnen gewerkt. De nieuwe specialistische 24-uurs-centra moeten op plaatsen gebouwd worden die goed bereikbaar zijn, en niet ergens midden in de stad, zoals bijvoorbeeld in Rotterdam. ‘Onbereikbaar’, zegt Wittens. Rond ieder 24 uurs-centrum kunnen vervolgens bijvoorbeeld 3 dagbehandelcentra, voor de minder complexe zorg, worden ingericht en zo nodig enkele zorghotels voor de nodige nazorg.

 

Ook moeten de computersystemen aan elkaar gewaagd zijn, en niet zoals nu syntax error roepen, zodra ze met elkaar in aanraking komen. Met als gevolg dat een behandelaar niet beschikt over de complete ziektegeschiedenis en vaak onderzoeken herhaalt die elders al gedaan zijn. Ook moet de kwaliteit van de geleverde zorg continue realtime gemeten worden om daarmee de specialist, afdeling of ziekenhuis te kunnen vergelijken met het landelijk gemiddelde.

 

Daarnaast moet de zorg af van het systeem waarin specialisten per behandeling betaald worden. Hoe meer behandelingen, hoe vetter de bankrekening van de specialist en het ziekenhuis. ‘Wie pinda’s voert, trekt aapjes aan’, vindt Wittens. ‘Het gaat niet om de kwantiteit, het moet gaan om de kwaliteit’, zegt hij. Nu draait immers veel om geld, in plaats daarvan moet het om de patiënt gaan. Veel behandelingen zijn immers niet altijd nodig, weet Wittens. Vaak kan een andere oplossing volstaan, bijvoorbeeld niets doen! Om deze productie prikkel weg te nemen, pleit Wittens ervoor de specialisten in loondienst te nemen. Door continue de kwaliteit van de geleverde zorg te monitoren kunnen specialisten, afdelingen of ziekenhuizen die onder de maat presteren ook worden geïdentificeerd en aangesproken op het falen. Als dan bijvoorbeeld na een jaar de kwaliteit onder de maat blijft dan mag men die zorg niet meer leveren. Zo vallen de zwakke broeders geleidelijk buiten boord, is de redenering van Wittens. Wie goede kwaliteit levert, zou in dit systeem een bonus kunnen krijgen. Dat meten gebeurt nu helemaal niet. Je weet als patiënt dus niet of de specialist, die tegenover je in de spreekkamer zit of je opereert, wel goed is. Een slechte zaak, vindt ook Hartpatiënten Nederland!

 

Daarom moet er veel veranderen in de optiek van Wittens. Ook een meer getrapte  opleiding kan de vele functies voor artsen beter faciliteren en daarmee de artsen beter motiveren.

 

Of Wittens niet op vele tenen springt? Nee, denkt hij zelf. Velen zien de noodzaak voor verandering, maar zijn bang om te veranderen omdat de gevolgen vaak niet te overzien zijn. ‘Ik heb daarom 2050 als richtjaar voorgesteld. Dan zijn de huidige betrokkenen al weg, hebben er dus geen belang bij zich in te graven in schuttersputjes om veranderingen te voorkomen.’

 

Een zeer lezenswaardig boek, kortom, een aanrader! (te bestellen via:  www.dezorgisdoodziek.nl)

 

Wie goede kwaliteit levert, krijgt een bonus

 

 

Hartoperatie met robot:  sneller beter en minder pijn

 

ZWOLLE – Als eerste en vooralsnog enige hartcentrum in Nederland kan Isala Hartcentrum in Zwolle gebruik maken van een geavanceerde robot bij operaties. Een jaar geleden baarde een team onder leiding van cardiothoracaal chirurg Sandeep Singh opzien met de eerste hartklepvervangende operatie verricht in Nederland met behulp van de Da Vinci-robot. Tot dan toe gebeurde dat in een standaard openhartoperatie. Dat betekent dat het borstbeen van de patiënt geheel open moest. Een operatie met de Da Vinci-robot is volledig endoscopisch. Slechts vijf kleine sneetjes zijn voldoende om de mitralisklep te vervangen. Alle reden voor een gesprek met een van de baanbrekers, Dr. Sandeep Singh!

 

Dr. Sandeep Singh

 

‘De robot is een instrument dat de chirurg in staat stelt om een operatie uit te voeren met zo min mogelijk schade aan het weefsel en optimaal resultaat’, legt Dr. Singh uit. ‘De robot zelf doet niets en wordt bestuurd door de chirurg om bepaalde verrichtingen te doen. Het is maar een verlengde van ogen en handen van de chirurg. Dus de chirurg is zeker niet overbodig.’

 

En hij vervolgt: ‘Door de veel betere beeldkwaliteit en de mogelijkheid om met de camera heel dichtbij het operatiedoel te komen, is het mogelijk om veel accurater te werk te gaan. De instrumenten van de robot zijn zeer wendbaar, waardoor het mogelijk is om de meest ingewikkelde verrichtingen uit te voeren. Deze instrumenten worden ingebracht via hele kleine snedes van ongeveer 1 tot 2 centimeter, tussen de ribben door. Daardoor is het niet nodig om weefsel te spreiden en, in tegenstelling tot de conventionele hartoperaties, is het bij de robot niet nodig om het borstbeen te openen.’

 

‘Dit allemaal samen leidt er toe dat operaties uitgevoerd kunnen worden met minimale beschadiging van de weefsels, waardoor de patiënt veel beter herstelt en weer sneller kan deelnemen aan de maatschappij. Doordat er minder beschadiging aan het weefsel is, heeft de patiënt ook veel minder pijn en heeft hij dus minder pijnmedicatie nodig.’

 

Als eerste ziekenhuis in Nederland werd een hartklep vervangen met behulp van de robot. Hoe is deze operatie verlopen? Waarom is voor de robot gekozen?

‘De operatie is uitstekend verlopen. Deze patiënt was ernstig ziek en moest op korte termijn ook een andere zware operatie ondergaan. Door het verrichten van de operatie met de robot was de patiënt in een periode van enkele weken hersteld, in tegenstelling tot een aantal maanden die nodig zouden zijn geweest bij een conventionele ingreep.’

 

De tweede heel belangrijke vraag is: wie komt ervoor in aanmerking?

  • Alle patiënten die aan hun mitralisklep en/of tricuspidalisklep moeten worden geopereerd.
  • Alle patiënten die een opening in het boezemtussenschot hebben.
  • Alle patiënten die een tumor in de linker of rechter hartboezem hebben.
  • Alle patiënten die boezemfibrilleren hebben waarbij de behandeling via de cardioloog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
  • Sommige patiënten die een bypassoperatie moeten ondergaan.

 

Hoe kunnen mensen in aanmerking komen voor deze behandeling?

‘Via de eigen cardioloog kan verwezen worden naar Isala Hartcentrum. Na de verwijzing worden patiënten bij Isala Hartcentrum beoordeeld en verder begeleid.’ Uiteraard kunt u voor meer informatie ook contact opnemen met Hartpatiënten Nederland, bel 0475 -31 72 72 of stuur een mail naar roermond@hartpatienten.nl.

 

Wat is het voordeel voor de patiënt ten opzichte van conventionele openhartoperaties?

  • Uitstekende reparaties van de kleppen met goede, zo niet betere resultaten.
  • Minder pijn door kleine sneden en minder beschadiging aan het weefsel.
  • Sneller herstel: enkele weken in plaats van maanden.
  • Minimale kans op infecties en dus ook op heropnames.
  • Snellere terugkeer in de maatschappij, denk aan werk, sporten, hobby’s etc.

 

Is er iets te zeggen over de verhouding tussen kosten en baten?

‘In het begin is er zeker een investering nodig voor de aanschaf van de robot en voor het trainen van de operatieteams. Echter, er is al aangetoond dat deze operaties niet duurder zijn dan de conventionele techniek. De opnameduur in het ziekenhuis is korter, er zijn minder kosten voor pijnmedicatie en er zijn veel minder kosten doordat de kans op infecties minimaal is. Bovendien moeten we niet uit het oog verliezen dat het voor de maatschappij ook een grote winst is, dat de patiënt sneller herstelt en een kortere ziekteperiode heeft. Het gaat dan om weken in plaats van maanden.’

 

De Food and Drugs Administration in de USA meldde een sterke toename van het aantal incidenten met de robot (600 in 2010 naar meer dan 4000 in 2013). Het apparaat zou inwendige brandwonden kunnen veroorzaken door problemen met de isolatie. Er zou daardoor kortsluiting kunnen ontstaan. De fabrikant is om die reden in de USA een terugroepactie begonnen. Bij IGZ zijn geen meldingen in ons land bekend. Wat kunt u hierover zeggen?

‘In Nederland zijn geen incidenten gemeld. In Isala Hartcentrum zijn er geen incidenten geweest. In de USA zijn rond 2013 incidenten gemeld die het resultaat waren van enerzijds ondeugdelijk gebruik van bepaalde instrumenten, en anderzijds door een defect in het robotinstrument waardoor een stroomlek werd veroorzaakt. Dit instrument is uit de handel genomen en aangepast. Sindsdien zijn er ook in de USA geen nieuwe incidenten gemeld.’

 

Maastricht UMC+ plaatst als eerste mini-pacemaker in Limburg

 

Recentelijk is in Maastricht UMC+ als eerste ziekenhuis in de Nederlandse provincie Limburg een zogeheten mini-pacemaker bij een patiënt ingebracht door cardioloog Kevin Vernooy. De allereerste implantatie vond in 2014 plaats in het St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein.

Medtronic is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de mini-pacemaker. De officiële naam is Micra™ transcatheter pacemaker. Het minuscule apparaatje is ruim negentig procent kleiner dan de klassieke pacemaker en is te vergelijken met een grote vitaminepil. De mini-pacemaker heeft een gewicht van 2 gram, een lengte van 25,9 millimeter en bedraagt 6,67 millimeter in diameter.  De Micra™ transcatheter pacemaker wordt op dit moment slechts door enkele cardiologen in een select aantal ziekenhuizen in Nederland geplaatst, waaronder door Vernooy in Maastricht UMC+.

 

Volgens Vernooy brengt de mini-pacemaker een groot aantal voordelen met zich mee. Het snellere herstel vanwege een verandering in de plaatsingsmethode van de pacemaker is er één van: ‘De mini-pacemaker heeft nu eenmaal een aantal grote voordelen ten opzichte van de traditionele methode, ook op de lange termijn. Zo zal de patiënt niet alleen sneller herstellen na de ingreep, de mini-pacemaker is daarnaast niet van buitenaf zichtbaar en ook de levensduur van de batterij is met gemiddeld zo’n tien jaar behoorlijk lang.’

 

Hartkamer stimulatie

Momenteel is de nieuwe innovatie nog niet van toepassing op alle hartpatiënten. De mini-pacemaker kan namelijk alleen geplaatst worden bij patiënten die enkel stimulatie in de hartkamer nodig hebben. Hieronder vallen hartpatiënten met een trage hartslag of boezemfibrilleren. Bij dergelijke aandoeningen wordt een pacemaker bij de patiënt ingebracht die het onregelmatige ritme herstelt door middel van elektrische impulsen en omzet in een regelmatig hartritme.

 

Waar vroeger de conventionele pacemaker door middel van een chirurgische ingreep werd ingebracht in veelal de borstkas, gebeurt dat nu via de lies. De mini-pacemaker wordt in zijn geheel in het hart geplaatst met behulp van een katheter via een ader in de lies. Daarnaast is de mini-pacemaker in, tegenstelling tot de traditionele pacemaker, draadloos. Hierdoor is er geen sprake meer van pacemakerdraden die normaal gesproken vanaf de pacemaker naar het hart lopen en daar, in het hart, worden bevestigd. Tevens is hiermee de kans op draadbreuk (een voorkomende complicatie bij de pacemaker van huidige grootte) verdwenen. De verwachting is dat ook andere complicaties door deze minder ingrijpende behandeling op de lange termijn zullen verminderen.

 

Toekomstperspectief

Volgens medici is de mini-pacemaker al een hele grote, eerste stap in de verdere ontwikkeling van de pacemakertechnologie. De hoop bestaat dat in de toekomst de mini-pacemaker doorontwikkeld wordt voor alle, of op z’n minst meer hartpatiënten, met andere ritmeproblematiek.

‘Je moet het als gezin sámen doen’

 

Hoe bereid je een kind voor op een ingrijpende gebeurtenis als een hartoperatie? Voor Martin Beuzel, pedagogisch medewerker bij het kinderhartcentrum van het Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ), is dat dagelijkse kost. ‘Ik probeer kinderen zo snel mogelijk weer terug in hun kracht te zetten.’

 

Martin Beuzel

 

‘Mijn doel is om de impact op het (kinder)leven voor, tijdens en na de ziekenhuisopname zo veel mogelijk te verkleinen’, vertelt pedagogisch medewerker Martin Beuzel. In het kinderhartcentrum van het WKZ (het grootste kinderhartcentrum van Nederland, onderdeel van het UMC Utrecht) begeleidt hij hartpatiënten van 0 tot 18 jaar tijdens hun ziekenhuisopname. Bij de echte kleintjes gaat het vaak om aangeboren afwijkingen, bij de oudere kinderen zijn het vaak complicaties van eerder behandelde hartaandoeningen.

 

Het is zijn taak om ervoor te zorgen dat de kinderen en hun gezin zich zo prettig mogelijk voelen tijdens het verblijf in het ziekenhuis. Een belangrijk onderdeel van zijn werk is het voorbereiden van kinderen op hun hartoperatie. ‘Ik geef hen een zo eerlijk mogelijk beeld van wat er gaat gebeuren. Ik laat bijvoorbeeld zien hoe de Intensive Care afdeling eruitziet en de kamer waar je ontwaakt uit de narcose. Bij kleine kinderen spelen we de narcose wel eens na op een pop, met wat oudere kinderen bekijk ik een fotoboek over het verloop van de behandeling.’

 

Zeker voor jongeren is het vaak beangstigend om de controle over te geven. ‘Wij proberen hen daarom een stukje controle terug te geven, door hen ook zo veel mogelijk zelf keuzes te laten maken over hoe dingen moeten gebeuren.’ Dat zit hem vaak al in kleine dingen: ‘Bijvoorbeeld of je met een kapje of door een prik onder narcose wilt en of je er graag muziek of je laptop bij wilt hebben. De kleintjes mogen bijvoorbeeld kiezen of ze papa en/of mama naast hun bed willen en welke knuffel mee mag.’

 

Ook spelactiviteiten zijn een niet te onderschatten onderdeel bij de begeleiding. ‘We willen bewust niet naar ze kijken als ’het kind met het cardioprobleem’. Het medische aspect is maar een heel klein onderdeel van het kind. Ik probeer kinderen zo snel mogelijk weer terug in hun kracht te zetten. Spelletjes lenen zich daar bij uitstek voor. Ze bieden afleiding en maken het herstel gemakkelijker.’

 

Niet alleen de kinderen, maar ook de ouders en broertjes en zusjes worden bij de begeleiding betrokken. ‘Je moet het als gezin sámen doen. Voor ouders is het vaak een hele angstige tijd. Hoe ga je om met een kind in het ziekenhuis en hoe blijf je zelf goed op de been? Daar proberen we ze zo goed mogelijk bij te coachen. Hij adviseert ouders ook over hoe ze na de ziekenhuisopname hun kind thuis kunnen bijstaan. ‘Kinderen zijn gelukkig heel flexibel. Meestal kunnen ze de ingrijpende gebeurtenis goed verwerken.’

Omdat wij er écht voor alle hartpatiënten zijn: Rodney van Gelderen en Irma Rapati

Sinds onze oprichting streven wij ernaar om er voor alle hartpatiënten te zijn. Helaas blijft in de wereld van hartpatiënten vaak één groep (onbewust) buiten beschouwing. Met de nieuwe jongerenrubiek ‘Young & Yearning’ is dat tijdperk ten einde gekomen. Jongere en hartpatiënt; het lijkt in niets op de belevingswereld van andere hartpatiënten. Zij bevinden zich midden in hun leven waarin zij voor belangrijke levensvragen staan; het kiezen van een studie of beroep zijn hier voorbeelden van, sommigen zijn inmiddels al zo ver dat het kopen van een appartement aan de orde is. Keuzes die voor ‘andere’ jongeren vanzelfsprekend zijn, veranderen in een zware last als je (plots) hartpatiënt bent. De rubriek ‘Young & Yearning’ is speciaal gericht op hun specifieke behoeften, gedachtengangen en vragen én behandelt de meest uiteenlopende thema’s. Wij bijten de spits af met een vragenrondje over het sociale leven van twee lotgenoten. Irma Rapati (26) en Rodney van Gelderen (19) zijn (of beter gezegd waren) elkaars tegenpolen. Beiden ICD-dragers, maar waar de één zich nooit hartpatiënt heeft gevoeld, was de ander door een angststoornis jarenlang aan huis gekluisterd.

Rodney van Gelderen
Leeftijd: 19
Studie/beroep: Financiële administratie (MBO)
Hartpatiënt sinds: Geboorte

Welke aandoening(en) heb je en sinds wanneer?
‘Ik heb een aangeboren hartafwijking welke door middel van een openhartoperatie is verholpen. Sinds 2003 heb ik ritmestoornissen waarvoor ik sinds 2005 een ICD heb.’

Hoe heeft dit je leven veranderd?
‘Het leven met een ICD heeft de eerste jaren een grote impact op mij gehad. Dit resulteerden in angst die mij heel erg beperkte in mijn doen en laten.’

Wat doe je nu wel en/of wat juist niet meer?
‘Zolang ik duidelijk aangeef wanneer ik vind dat iets te ver gaat voor mijn eigen veiligheid, mag ik van de dokter in principe alles.’

Heeft dit je sociale leven beïnvloed (en hoe)?
‘Mijn hele leven paste ik op mijn angst aan en hierdoor was ik jarenlang aan huis gekluisterd. Ik had haast geen sociaal leven. Nu ik hiermee heb leren omgaan, kan ik volop van het leven genieten.’

Hoe zie jij de toekomst voor je?
‘Heel rooskleurig! Een aantal jaren geleden beheersten angst en onzekerheid mijn leven. Nu staan kracht en doorzettingsvermogen centraal. Littekens herinneren mij eraan wat ik heb doorstaan, maar ik accepteer inmiddels dat het bij mij hoort. Ik wil voor mijn leven vechten. Mijn stimulans is om alles uit het leven te halen.’

Praat je hierover met lotgenoten?
‘Ik heb nog geen behoefte gehad aan lotgenotencontact. Sommige vrienden zijn nieuwsgierig naar wat ik heb meegemaakt, maar ik wuif dit meestal snel weer weg, want ik wil als een normale vriend gezien worden en niet als een vriend met hartproblemen.’

Heb je tips voor lotgenoten?
‘Hoe moeilijk het soms ook is, probeer te relativeren en te beseffen dat je hartaandoening een onderdeel van je leven is.’



Irma Rapati

Leeftijd: 26
Studie/beroep: Pedagogiek (HBO) & assistent zweminstructrice
Hartpatiënt sinds: 2012

Welke aandoening(en) heb je en sinds wanneer?
‘Sinds 2012 heb ik hartritmestoornissen. Als gevolg daarvan heb ik een harstilstand gekregen waarna ik een S-ICD kreeg.’

Hoe heeft dit je leven veranderd?
‘Afgezien van het dagelijks medicijnen slikken en meerdere jaarlijkse controles, is mijn leven ook in andere opzichten veranderd. Ik probeer niet zoveel te stressen en meer te genieten van kleine dingen.’

Wat doe je nu wel en/of wat juist niet meer?
‘Ik studeer, werk, sport én ga nog steeds naar concerten van mijn favoriete zangeres. Het enige wat ik achterwege laat zijn ‘heftige’ attracties in pretparken.’

Heeft dit je sociale leven beïnvloed (en hoe)?
‘Nauwelijks! Ik onderneem nog evenveel als voorheen, misschien zelfs meer. Het is voor mij belangrijk om tijd door te brengen met vrienden en familie. Het enige wat ik jammer vind, is dat sommige vrienden niet goed begrijpen wat ik heb doorstaan.’

Hoe zie jij de toekomst voor je?
‘Net zoals voorheen maak ik nog steeds plannen. Zo hoop ik na mijn studie in het ziekenhuis aan de slag te gaan als pedagogisch medewerker. Daarnaast wil ik graag trouwen en kinderen krijgen.

Praat je hierover met lotgenoten?
‘Afgelopen zomer ben ik voor het eerst mee geweest met een jongerendag van een patiëntenorganisatie. Nadien kwam ik tot de conclusie dat zo’n dag heel waardevol is, ook al had ik voorheen geen behoefte aan lotgenotencontact.’

Heb je tips voor lotgenoten?
‘Luister naar je lichaam; je weet zelf het beste wanneer je iets moet laten. Zoek daarnaast een hobby waarbij je jouw gedachten los kan laten en ontspannen. Tot slot: praat! Niet iedereen hoeft te weten wat er precies in je omgaat, maar het is fijn om een aantal mensen te hebben bij wie je je ei kwijt kunt. Het maakt niet uit of dat lotgenoten zijn en/of goede vrienden. Maak van je hart geen moordkuil!’

Antonie binnen een jaar twee keer aan zijn hart geopereerd

 

ACHTERVELD – Antonie is pas 18 jaar oud, maar moest in één jaar tijd tweemaal onder het mes voor een hartoperatie. Het nieuws dat hij opnieuw geopereerd moest worden kwam bij hem aan als een schok, vertelt hij.

 

Zijn eerste openhartoperatie in het Universitair Medisch Centrum Utrecht was in november 2011 dringend nodig, toen een verwijding van meer dan vijf centimeter ontdekt werd. De operatie verliep volgens Antonie voorspoedig, hoewel zijn hart tijdens de operatie voor een tweede keer moest worden stil gelegd. ‘De aortaklep was te klein en lekte teveel. Ze hebben het hart toen opnieuw stil gelegd. Daarna hebben ze een aortaklep-reconstructie uitgevoerd. Het lekt nog steeds, maar zo weinig, dat ik er volgens de artsen goed mee kan leven.’ Dat vertelde Antonie in de uitgave van Hartbrug-Magazine in januari 2012.

 

De operatie was gelukt, het bevestigen van de prothese was goed gegaan en de verwijding was weg. Maar de klep ging steeds meer lekken. ‘Dat hadden de artsen toen niet zien aankomen’, vertelt Antonie. ‘Dat was pech. Ik moest opnieuw worden geopereerd.’

 

Eigenlijk werd de noodzaak van een nieuwe operatie duidelijk tijdens de revalidatie. ‘In het begin ging het goed’, herinnert Antonie zich. ‘Maar later bleef mijn conditie stil- staan. Toen ik langer moest fietsen en rennen, hield ik dat niet vol. Bij controles bleek de oorzaak de lekkende aorta-klep. Toen ging het balletje opnieuw rollen.’

 

‘Toen in juni het nieuws binnen kwam dat ik opnieuw geopereerd moest worden, schrok ik vreselijk. Na afloop van die operatie in november leef je toch ergens naartoe.
Naar beter worden, steeds meer kunnen. Je gaat er voor! En dan komt dat verschrikkelijke nieuws binnen. Ook voor mijn vriendin was dat moeilijk, ze reageerde verdrietig.’

 

Na zijn vorige operatie kreeg de nog bij zijn ouders wonende Antonie verkering met een meisje. Zij gaf en geeft hem veel steun, net zoals zijn ouders, vertelt hij. ‘Voor mijn ouders was het nieuws dat ik opnieuw de operatietafel op moest ook een schok.’

 

‘Ik was niet bang voor de operatie. Dat had ik geleerd van de vorige keer dat ik onder het mes ging. Voor de chirurg is het routinewerk. Maar ik piekerde over het feit dat ik een mechanische aortaklep ging krijgen. Hoe reageert mijn hart daarop? Hoe zal het leven zijn met zo’n klep? Hoe zit het met antistolling? Met infecties? Met afstotingsverschijnselen? Allemaal vragen die door mijn hoofd spookten.’

 

‘Toen ik werd opgenomen in het ziekenhuis, bleek ik net als in november de jongste te zijn, omringd door allemaal oudere hartpatiënten. Je bouwt een band op, iedereen ligt er voor hetzelfde. Als er iemand terugkwam van de operatie, gingen de anderen langs en vroegen hoe het gegaan was.’

 

‘Op 6 september ben ik in Utrecht opnieuw geopereerd. Ik kreeg een mechanische klep die een leven lang meegaat. Volgens de chirurg was de operatie wederom zeer geslaagd. Ze waren zelfs een paar uur eerder klaar dan gepland was. Ik had het geluk dat de nieuwe klep precies in mijn oude prothese paste. Als dit niet het geval zou zijn geweest zou de oude prothese eruit gehaald worden en vervangen worden door een prothese met passende klep.’ Ook na de operatie verliep het herstelproces voorspoedig en Antonie werd na zes dagen ontslagen.

 

‘De eerste controle was op 19 oktober, zes weken na de operatie. Daar leefde ik naartoe. Want daar zou ik horen of de klep het goed deed. Zes weken na de operatie was het dan eindelijk zover, mijn eerste controle. Ik was er best wel zenuwachtig voor’, vertelt Antonie. ‘Maar alles was positief. Nadat er een ECG was gemaakt kreeg ik een gesprek met de arts. Na wat onderzoeken en een prettig gesprek konden we met een brede glimlach weer naar huis’, aldus Antonie. ‘Ze hadden geen rare dingen gezien of gehoord, we hoefden ons nergens zorgen over te maken. Over drie maanden moesten we weer terug komen.’

 

Naar school kon Antonie nog niet gaan. Hij studeert MBO Luchtvaarttechniek, een vierjarige opleiding. Antonie moet nog twee jaar, vertelt hij. Hij wilde na ruim een maand thuis zitten graag weer naar school. Medio december ging hij voor het eerst weer een hele week naar school. Hij wil dat ook dit jaar blijven volhouden. Voor de examens heeft hij zich moeten uitschrijven, dat ging niet meer lukken.

 

‘Het gaat nu vrij goed met mij. Ik krijg nu twee keer per week fysiotherapie. Ik zie bij mezelf een stijgende lijn’, zei Antonie. Op het moment dat we hem voor dit interview spraken, was het veertien maanden geleden dat hij geopereerd werd. ‘Ik voel me nu een stuk beter dan veertien maanden geleden na de eerste operatie. Verder loop ik veel en ben ik weer begonnen met fietsen, iets wat ik nog steeds graag doe. Op school heb ik twee examens gemist; maar hiervoor kan ik me weer inschrijven zodra ik er klaar voor ben. Uitgaan zit er nog niet in, maar zo nu en dan ‘s middags op een terrasje is een goed begin.’

 

‘Ik vind het fijn dat ik op deze manier mijn verhaal kan doen en ik hoop dat de lezers inzien dat een openhart-
operatie niet het einde van de wereld is. Zeker de mensen die mijn eerste verhaal hebben gelezen kennen mijn geschiedenis. Voor de artsen is het hun werk en ze weten wat ze doen. Ik heb nu twee operaties binnen een jaar gehad en ik moet zeggen dat de tweede operatie mij zeker is meegevallen. Achteraf dan, van te voren zag ik er wel extra tegenop omdat je nu weet wat er komen gaat. Maar heb vooral vertrouwen en praat veel met mensen om je heen. Dat helpt! Voor mij hielp het zeker!’

Nederland, Achterveld, 6 januari 2012. Antonie Donath, 17 jaar, met zijn moeder en zusje. Antonie wil piloot worden. Antonie heeft een hartkwaal vanaf zijn geboorte. Foto: Marcel Bakker

 

Eerste Harthulp in kleinere ziekenhuizen blijft belangrijk

 

Roermond – De Eerste Harthulp in kleinere streekziekenhuizen blijft belangrijk. De zorg voor hartpatiënten moet goed geregeld zijn, want het gaat om grote aantallen patiënten. Hart- en vaatziekten zijn nog steeds doodsoorzaak nummer één.

 

Daarmee reageert de Nederlandse Vereniging van Cardiologen (NVVC) op een recent standpunt van Zorgverzekeraars Nederland (ZN). ZN wil de gespecialiseerde spoedeisende hulp, waaronder cardiologie, in een kleiner aantal ziekenhuizen concentreren. Dat zou de kwaliteit van de zorg verbeteren. De NVVC is het daar op zich mee eens, maar wil evengoed de Eerste Harthulp in kleinere ziekenhuizen handhaven.

 

‘Lokale eerste harthulpen spelen een cruciale rol in de opvang van patiënten met hartklachten’, zegt voorzitter prof. dr. Martin Schalij van de NVVC. Hij wijst erop dat de zorg voor mensen met een acuut hartinfarct geconcentreerd is in 29 interventieklinieken. Acute zorg voor patiënten met hartklachten gaat echter verder dan de zorg voor patiënten met een hartinfarct.

 

Van alle acute patiënten heeft circa 25% een dotterbehandeling nodig. Juist voor de grote groep patiënten die geen hartinfarct hebben, is het belangrijk om snel opgevangen te kunnen worden. De NVVC streeft dan ook naar een netwerk van klinieken met verschillende niveaus. De juiste zorg op de juiste plaats is waar het om gaat, vindt de NVVC.

 

‘ZN is in deze discussie vooral gericht op acute hartinfarcten’, aldus prof. Schalij. ‘Deze mensen gaan naar een dottercentrum. Dat is overal goed geregeld. Daarbij gaat het echter om slechts 20 procent van het aantal patiënten. Zo’n 80 procent heeft last van hartfalen, ritmestoornissen en dergelijke. Deze mensen zijn beter af bij een goede Eerste Harthulp. Bij een ritmestoornis gaat iedereen het liefst naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Dat is prima zo, en daarin zit een belangrijk meningsverschil tussen ons en ZN.’

 

‘Laten we zorg in netwerken organiseren, met als uitgangspunt: de juiste zorg op de juiste plaats. Daarvoor hebben wij het programma NVVC/Connect opgezet. In NVVC/Connect brengen we in kaart hoe de harthulp in de regio is georganiseerd en laten we ook concrete getallen zien. Bijvoorbeeld hoe lang het duurt voordat er in het ene ziekenhuis of in het andere gedotterd wordt. Daarnaast maken we protocollen per regio zodat iedereen precies weet wat hem of haar te doen staat en mensen zo snel mogelijk op de juiste plek terecht komen.’

 

‘Tijdens een gesprek met ZN bleek dat zij foute cijfers hanteren, gebaseerd op DBC-data van ziekenhuizen. Simpel uitgelegd: een reanimatie krijgt in een ziekenhuis de code hartinfarct. Het kan dan om iets anders gaan, en dat vertroebelt het beeld.’

 

‘Wij hebben in kaart gebracht in welk ziekenhuis je met een specifieke afwijking het beste terecht kunt. Ons doel is de patiënt de beste behandeling te geven, zodat je als patiënt weet dat je daar goed ligt.’

Valpartijen breekt veel Nederlandse ziekenhuizen op Andere kijk op de ‘stabiele’ patiënt

 

ROERMOND – Mevrouw van Roozendaal* (62) uit Utrecht had dit keer geluk. Nou ja, een klein beetje dan. ‘Als het even anders was gegaan, had ik óók nog iets kunnen breken’, zegt ze. Een lachje kan er amper vanaf, begrijpelijk.

 

Want net herstellende van een borstsparende operatie, een kleine week daarvoor, struikelde mevrouw Van Roozendaal bij het behoedzaam uit bed klimmen tóch over een infuuskatheter. Die hing wat onzichtbaar over haar ziekenhuisnachtkastje. ‘Nog net kon ik mij aan de bedstang vastgrijpen, maar maakte daarbij een rare beweging. Een blauwe knie en een flinke bloeduitstorting bij mijn rechteroksel. In zekere zin gelukkig… want ik ben links geopereerd. Het deed wel erg pijn, heb lang het gevoel gehad alsof mijn lichaam totaal opgerekt was. Twee dagen extra voor observatie in het ziekenhuis heeft het me gekost. De dokter wilde geen risico nemen.’

 

Uiteindelijk liep het dus goed af voor mevrouw van Roozendaal.

Te vaak echter komen patiënten in Nederlandse ziekenhuizen en ouderen in verzorgings- of verpleeghuizen ten val. Door allerlei dikwijls onnodige obstakels, zoals rondslingerende snoeren en slangen, meubilair, op- of afstapjes bij liften, vloerkieren bij de liftschaft waarin rollatorwielen blijven steken, weegapparatuur, gladde hospitaalgangen, maar ook infuuspalen. Het ronddraaiende onderstel van de soms topzware infuushouders, de zogenoemde ‘kruisvoet’, blijkt menige patiënt onderuit te halen.

 

Concrete Nederlandse cijfers over het aantal specifieke valincidenten door infuusstandaards zijn er niet, maar dát ze voorkomen – en te vaak – is zeker. Oudere patiënten, personen die klein van stuk zijn, mensen onder invloed van geneesmiddelen en lichamelijk verzwakten… Zíj behoren tot de brede risicogroep om te vallen met of over een infuuspaal.

 

‘Mijn vrouw is inderdaad niet groot, eerder klein van postuur, 1.62 meter’, vertelt de heer Zandstra* uit Groningen. ‘Zij was patiënt op de hartafdeling en had de grootste mogelijke moeite de infuuspaal recht voor zich uit te duwen. De dokter had haar gezegd dat zij zoveel mogelijk moest bewegen. Een wandeling op de gang, werd haar geadviseerd. Steeds een stukje verder, als dat kon. Misschien wel naar de centrale hal toe. Dat wilde ze wel, maar het lukte niet. Vanwege die infuuspaal met twee zware zakken vloeistof eraan. Die slingerden gevaarlijk heen en weer als ze de paal met zo’n kruisvoet met wieltjes over een miniem drempeltje probeerde te duwen. Bovendien stuurde het ding voortdurend naar links. Het kostte haar veel inspanning om hem recht te houden.’

 

Totdat de echtgenote van meneer Zandstra bij toeval, een nieuw type infuusstandaard in handen kreeg. Een combinatie van een infuuspaal en een rollator. Een hulpmiddel dat het ziekenhuis voor enige weken op zicht had gekregen  van de producent, om uit te proberen.

 

Het verschil tussen de al vele jaren massaal in Nederlandse ziekenhuizen ingezette  kruisvoet-infuuspalen en de nieuwe infuusstandaard van het type ‘Rollamate’ is volgens mevrouw Zandstra* groot. Deze laatstgenoemde infuuspaal is overigens ontwikkeld door het bedrijf Endomed en de TU Delft.

 

‘De nieuwe infuusstandaard kon ik eenvoudig vóór me uitrijden, hij was stabiel’, zegt mevrouw Zandstra. ‘En dat terwijl ik de ‘gebruikelijke’ infuuspaal amper in het rechte spoor kon houden en zijwaarts moest voortduwen. Dat kostte me veel energie. Ik neigde voortdurend te struikelen, omdat die ronddraaiende kruisvoet met zijn hinderlijk tollende wieltjes me letterlijk voor de voeten reed. Bovendien wikkelde regelmatig de katheterslang óm de stang.’

 

Nederlandse zorginstellingen zeggen er álles aan te doen om het jaarlijkse grote aantal valincidenten te verminderen. Toch accepteren velen kennelijk het struikelrisico met de kruisvoet-infuuspalen.

 

Niels van Amerongen van Endomed in Didam, een bedrijf dat medische producten en diensten aan ziekenhuizen en laboratoria levert, herkent ervaringen als die van de dames van Roozendaal en Zandstra. ‘Wanneer wij echter van dit soort voorvallen vertellen, wordt al snel gezegd dat wij ‘in ons eigen straatje’ praten.  Natúúrlijk hopen wij dat ziekenhuizen open staan voor ons product. Maar vooral omdat met deze heel stabiele infuusstandaard, die aan de nieuwste inzichten op ergonomisch gebied voldoet, veel nare valincidenten kunnen worden voorkomen.’

 

Enkele ziekenhuizen geven toe dat dergelijke hulpmiddelen tot de sluitpost in het uitgavenpatroon behoren. ‘We moeten inderdaad nogal wat moeite doen om besluitvormers in sommige ziekenhuizen ervan te overtuigen dat een wankele patiënt is gebaat bij stabiliteit’, stelt Van Amerongen. Inmiddels heeft een aantal ziekenhuizen Rollamates standaards in huis. Om uit te proberen…

 

Maar enkele vooraanstaande ziekenhuizen hebben al bestellingen gedaan: het Erasmus MC in Rotterdam heeft er ruim 100 gekocht en is als eerste ziekenhuis in Nederland volledig overgestapt op de nieuwe standaard. Ook het Canisius-Wilhelmina ziekenhuis in Nijmegen heeft er nu 90 aangeschaft…

 

(Uit overwegingen van privacy zijn de namen van de met een
* aangeduide personen gefingeerd.)

 

[ De infuuszakken zwaaiden vervaarlijk heen en weer ]

 

Rollamate op locatie in het Erasmus MC in Rotterdam
foto © Bart Versteeg 29-02-12

 

 

fotografie: Bart Versteeg

Meer zelfredzaamheid

De Rollamate infuusstandaard is gemaakt van roestvrij staal en verhoogt de zelfredzaamheid van (rolstoel)patiënten. Door de speciale constructie van de voet heeft de infuuspaal een hoge stabiliteit gekregen. Aan de infuusstandaard kan een verstelbare handgreep worden bevestigd die het transport door patiënt of verpleegkundige vereenvoudigt. Door de hoge stabiliteit en de open constructie van de voet kunnen patiënten zelfstandig op pad gaan, soms met meerdere infuuspompen en/of infuuszakken, zonder dat zij het risico lopen te vallen over de voet of  de wielen. Zie ook: www.rollamate.com

 

Dotteren met een missie

 

EMMEN – Vroeger kon je alleen gedotterd worden in een groot ziekenhuis met hartchirurgie. En wel omdat daar een chirurg klaar stond, mocht het dotteren tot complicaties leiden en een hartoperatie acuut nodig zijn.  De laatste jaren krijgen steeds meer streekziekenhuizen toestemming om te dotteren, mits daarbij voldaan wordt aan enkele strenge voorwaarden.

 

Een van die ziekenhuizen is het Scheper Ziekenhuis in Emmen, provincie Drenthe. Vreemd, zo op het eerste gezicht, want het gaat om een relatief dun bevolkt gebied. Hoe kan zo’n ziekenhuis voldoen aan de minimumeis, waarbij het dottercentrum minimaal 600 behandelingen moet uitvoeren? ‘Vroeger was een aantal van 600.000 mensen in de omgeving een minimumvoorwaarde om te mogen dotteren’, legt interventiecardioloog Gillian Jessurun van het Scheper Ziekenhuis uit. ‘Wij lieten hier zien dat het niet alleen gaat om het aantal mensen dat hier woont. Uit onderzoek door het RIVM bleek namelijk dat in Drenthe het aantal opnamen en de sterfte als gevolg van hartaandoeningen hoger is dan landelijk gemiddeld omdat de bewoners veel meer risicofactoren zoals hoge bloeddruk, overgewicht, suikerziekte en roken hebben. Je moet dus niet alleen kijken hoeveel mensen er in de buurt wonen, maar ook wat hun gezondheidsconditie is.’

 

‘Door een regionale samenwerking met de ziekenhuizen in Assen, Hoogeveen, Stadskanaal en anderen is het mogelijk om ruimschoots te voldoen aan de eis van minimaal 600 dotterbehandelingen op jaarbasis. Het dottercentrum heet ook Invasieve Hartzorg Drenthe (IHD) om deze regiofunctie te benadrukken.’

 

‘We letten heel goed op de wens van de patiënt’, benadrukt Jessurun. ‘Wij bieden kwalitatief hoogwaardige zorg en service zonder wachtlijsten’, gaat Jessurun verder. ‘Daarin onderscheiden we ons van omringende hartcentra. Wij werken gewoon door, als het moet tot 22.00 uur in de avond. Om dit te kunnen moeten de medewerkers flexibel zijn. Meerwaarde krijgen wij als ziekenhuis alleen als we ons met zijn allen anders opstellen. En flexibel personeel krijg je alleen mee als je hen kunt uitleggen waarom je dat zo doet en hun de waardering geeft die bij deze inzet past.’

 

Niet alleen daardoor komen er meer patiënten naar het ziekenhuis in Emmen om gedotterd te worden. Het interventieteam van IHD bestaat uit Dr. Alexander Schramm, Dr. Rutger Anthonio en Dr. Gillian Jessurun. ‘We hebben elk meer dan tien jaar ervaring in het verrichten van hartkatheterisaties en hebben jarenlang de meest complexe ingrepen uitgevoerd. Die expertise is belangrijk. Stel je hebt een verkalkt bloedvat dat al jaren dicht zit. Daar kun je niet zomaar met een draadje doorheen prikken. Door ervaring en met behulp van goede technieken lukt het vaak toch om een route te creëren.’ Ook heeft de intensieve nazorg van patiënten in een levensbedreigende situatie meerwaarde gekregen door het aantrekken van een zeldzame cardioloog intensivist.

 

Daarnaast is niet alleen de indicatie hartaanval reden om te dotteren in Emmen. ‘We doen dat ook bij mensen met andere aandoeningen zoals hartfalen. Heel vaak blijken deze mensen ernstige bloedvatvernauwingen te hebben. Zo kwam een vrouw hier bij ons die we twee keer gedotterd hebben. Voor die tijd had haar hart een slechte pompfunctie. Na twee keer dotteren verbeterde die pompfunctie naar een normaal niveau. Dat betekent dat een meer belastende hartoperatie niet altijd nodig is. Dat is in dit soort gevallen beter voor de patiënt en kost minder. Omdat wij de indicaties zorgvuldig stellen en optimaal benutten, zoals sommige mensen met hartfalen, kunnen we samen met de eerdergenoemde argumenten het minimum aantal dottergevallen op jaarbasis makkelijk halen.’

 

Ook de samenwerking met hartchirurgische centra garandeerde het succes van IHD. De ontwikkelingen in deze samenwerking gaan verder. ‘Mocht het in zéér zeldzame gevallen dan toch mis gaan, dan kunnen wij in de toekomst de patiënt hier stabiliseren met een mobiele hartlongmachine en de chirurg per helikopter laten invliegen.’

 

‘Met creativiteit en doorzettingsvermogen kunnen we heel wat bereiken voor de patiënten in Drenthe. Ik zie dat als een missie!’

door: Henri Haenen, fotografie: Henk Benting