default-header

Behandelingen

HomeHartpatiëntenBehandelingen

Behandelingen

Ablatie

Een ablatie is een behandeling bij een hartritmestoornis. Daarbij blokkeert een gespecialiseerde arts elektrische prikkels die het hartritme verstoren. Dat gebeurt via een kijkoperatie of middels katheterisatie. Hartritmestoornissen zijn een gevolg van problemen bij de elektrische impulsen die een regelmatige hartslag organiseren. Het kan zijn dat de elektrische prikkels opeens een verkeerde plaats prikkelen of een verkeerde route volgen. De arts beschadigt die ‘foute’ plekken of routes middels ablatie. De zo ontstane littekens verhinderen dat de elektrische prikkels via de verkeerde plekken worden geleid. De arts gaat tot ablatie over wanneer de klachten ernstig zijn en medicijnen niet of onvoldoende baat of teveel bijwerkingen hebben.

Vaak zijn bij een ablatie meerdere littekens nodig. Ze worden veroorzaakt middels verhitting of juist bevriezing, afhankelijk van wat de arts beter vindt. De behandeling duurt tussen de twee en vier uur. Meestal mag je de volgende dag weer naar huis, maar moet je wel een tijdje rustig aan doen.

Een ablatie helpt niet altijd direct. Soms duurt het een tijd voordat de wondjes op het hart ook tot litteken zijn geworden en niet langer elektrische prikkels geleiden. Daarom mag je ook niet direct na de operatie stoppen met medicijnen tegen hartritmestoornissen. Die kunnen zich immers nog een tijd lang voordoen.

Ballondilatatie

Door middel van een ballondilatatie kan een vernauwing van een van de hartkleppen (of kransslagaders) van het hart worden verwijd en dus verholpen. Door de betreffende klep te verwijden met de ballon, ontstaat er weer een reguliere bloedstroom.

Vanuit de lies wordt onder lokale verdoving een katheter met een ballonnetje ingebracht, op de plaats van bestemming wordt de ballon opgeblazen. Nadat de katheter weer verwijderd is wordt het bloedvat middels een drukverband dichtgedrukt. Dit moet een aantal uren blijven zitten en je moet dan op je rug blijven liggen.

Er bestaat een kans op bloedingen, maar meestal blijft het bij een blauwe plek in de lies. Ook heb je kans dat er lekkage van de klep ontstaat. Dit wordt onderzocht d.m.v. een ECG, voordat je het ziekenhuis mag verlaten.

Als je bloedverdunners gebruikt moet je dit altijd doorgeven aan de trombosedienst en aan de behandelend arts.

Als je zwanger bent mag je deze behandeling niet ondergaan, omdat er röntgenstralen worden gebruikt.

 

Bypassoperatie

Bij ernstige vernauwingen van de kransslagaders bij het hart wordt er een omleiding om het dichtgeslibde gedeelte van de kransslagader gelegd. De omleiding wordt gemaakt met stukjes (slag)ader uit het eigen lichaam, meestal uit de borstholte of de benen. Vaak worden er meerdere bypasses in één keer gedaan.

In de meeste gevallen wordt de operatie uitgevoerd via de hartlongmachine, het hart wordt dan stilgelegd. In enkele gevallen kan de operatie ook worden uitgevoerd door een klein sneetje te maken aan de zijkant van de borstkas.

Cardioversie

Bij een cardioversie wordt door het toedienen van een elektrische schok een te snel hartritme omgezet in een normaal hartritme. Meestal wordt cardioversie toegepast als je langdurig (meer dan 2 dagen) last hebt van boezemfibrilleren (onregelmatig en snel ritme in allebei de boezems van het hart).

Heb je korter dan 48 uur last van boezemfibrilleren, dan probeert de arts het probleem eerst met medicatie te verhelpen.

De cardioversie vindt plaats onder een lichte narcose. Je krijgt een elektrische schok toegediend en de cardioloog kan direct via een hartfilmpje zien of het hartritme weer normaal is. Is dit nog niet het geval, dan kan de schok nog twee keer toegediend worden.

Als de narcose is uitgewerkt mag je weer naar huis. Je krijgt dan ook voor de periode van ongeveer een maand bloedverdunners.

Da Vinci Robot

De Da Vinci Robot is een op afstand bestuurbare operatierobot die zeer nauwkeurig werkt. Een operatie met de Da Vinci robot is in feite een kijkoperatie waarbij de camera en de instrumenten die nodig zijn voor de operatie door een chirurg worden bediend. De chirurg hoeft maar een paar kleine sneetjes te maken i.p.v. een grote snee. De robot neemt zelf geen beslissingen en voert dus geen zelfstandige handelingen uit.

Een operatie die wordt uitgevoerd met de Da Vinci Robot is zeer nauwkeurig en veel minder belastend. De ziekenhuisopname is korter, er is minder kans op bloedverlies en infecties en het herstel is meestal veel sneller.

 

Defibrillator

Een Automatische Externe Defibrillator (AED) geeft een zware elektrische schok af in een poging het hartritme te herstellen. Het draagbare apparaat wordt ingezet bij reanimaties. Een reanimatie is nodig als een hart schijnbaar, of helemaal, stilstaat. Soms beweegt het nog wel, maar chaotisch. Dat noemen we ventrikelfibrilleren. Daarbij is het hart echt totaal van slag en kunnen de hartkamers niet meer samentrekken. Direct reanimeren is dan een dringende noodzaak, waarbij elke seconde telt. Laat in dat geval iemand anders een AED halen.

Feitelijk probeert een AED het hart als het ware te resetten, zodat het weer normaal gaat kloppen. Zo’n herstel van het hartritme lukt vaak niet zonder AED. De beide elektroden die een AED heeft, worden op de borstkas van de patiënt geplakt. Op het apparaat staat waar ze exact geplakt moeten worden. Zodra de elektroden zijn geplakt, analyseert de AED het hartritme. Vervolgens vertelt de AED wat de hulpverlener moet doen. Dat advies kan zijn: doorgaan met reanimeren zonder elektrische schok, of het toedienen van een elektrische schok. In dat laatste geval moet iedereen in de omgeving afstand houden van de patiënt, om een stroomstoot te vermijden.

Als iemands hart nog wél klopt, zal de AED geen schok geven. De patiënt mag dan wel bewusteloos zijn, maar het hart functioneert nog redelijk of goed. Ook als het hart helemaal niets meer doet en stilstaat, is een schok zinloos. Dan moet de reanimatie worden gecontinueerd totdat het gealarmeerde ambulancepersoneel het werk kan overnemen.

 

Dotteren

Bij dotteren worden vaten die gedeeltelijk vernauwd zijn, opgerekt met een ballonnetje. Daarna wordt in de meeste gevallen nog een stent (buisje van kunststof of metaal) geplaatst om te voorkomen dat het bloedvat weer vernauwd raakt. De katheter met het slangetje wordt via de lies of de pols in de slagader gebracht.

De behandeling duurt 1 tot 2 uur. Na de behandeling moet een drukverband worden aangelegd op de plaats waar de katheter is ingebracht, om bloedingen te voorkomen. Meestal mag je dezelfde dag weer naar huis. Houd er wel rekening mee dat je op de dag van de behandeling niet zelf mag autorijden.

Hartoperatie algemeen

Een hartoperatie is een chirurgische ingreep noodzakelijk om een defect in of rond het hart te herstellen, of om erger te voorkomen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een bypassoperatie of om een klepoperatie. Een bypass- of omleidingsoperatie is een behandeling bij ernstige vernauwingen in de kransslagaders van het hart. De kransslagaders zijn de bloedvaten die de hartspier van bloed voorzien. Als deze ernstig vernauwd zijn, krijgt het hart niet genoeg zuurstof en voedingsstoffen.

Bij een bypassoperatie wordt er een omleiding (bypass) gemaakt, langs een vernauwing in de kransslagader. Daartoe wordt vaak een (slag)ader uit het been gebruikt. Door de omleiding kan er weer genoeg zuurstof het hart bereiken. De zware operatie duurt meestal ongeveer vier uur. Je blijft daarna zo’n week in het ziekenhuis, waarna revalidatie volgt.

Een hartklepoperatie is het repareren of vervangen van een lekkende of vernauwde hartklep, meestal via een openhartoperatie.  In sommige gevallen lukt het ook middels een katheterbehandeling via de liesslagader of de slagader onder het sleutelbeen, of een kleinere opening. Hartchirurgen repareren de hartklep waar mogelijk. Dat heeft de voorkeur boven het vervangen ervan en verkleint het risico’s op complicaties.

Elke hartoperatie vindt plaats onder volledige narcose. Vóór de operatie krijg je pijnstillers en spierontspannende middelen. De anesthesist is tijdens de operatie aanwezig om eventueel bij te sturen. De anesthesist zorgt ervoor dat hart en longen op de juiste manier blijven werken. Daarnaast zorgt de anesthesist ervoor dat je onder narcose blijft gedurende de operatie. Tijdens de ingreep worden hartslag, ademhaling, de bloedsomloop, temperatuur en suikergehalte nauwkeurig gecontroleerd.

Een hartoperatie wordt vooraf gegaan door een aantal voorbereidende onderzoeken. Zo wordt er onder meer een röntgenfoto  van de borstkas gemaakt, een ECG (elektrocardiogram) oftewel een ‘filmpje’’ van het hart, en worden bloed en urine gecontroleerd. Een verpleegkundige legt je vooraf een aantal vragen voor, met name over eerdere ziekenhuisopnames, de bloedgroep, eventuele medicatie, allergieën en bovendien kan hij of zij de telefoonnummers noteren van familieleden. Het kan zijn dat een afdelingsarts nog enkele onderzoeken doet en vragen in dezelfde trant stelt.

Na afloop van de operatie ga je naar de hartrecovery of intensive care, waar je na enkele uren ontwaakt. In het begin is het zicht mogelijk nog enigszins wazig en klinken de stemmen verward. Maar dat trekt langzaam bij. Meestal kan je een dag later weer terug naar de verpleegafdeling. Al die tijd sta je onder controle, waarbij naar een scala van zaken wordt gekeken. Denk bijvoorbeeld aan de nierfunctie: is die nog steeds naar behoren? Hetzelfde geldt uiteraard voor de hartfunctie, maar ook voor het functioneren van de maag. Hoe staat het met het wondvocht? Ook het bloed wordt constant gecontroleerd via een infuus. Enkele dagen na de operatie kun je, afhankelijk van het genezingsproces, weer naar huis. Daarna volgt revalidatie.

ICD

ICD is de afkorting van Implanteerbare Cardioverter Defibrillator. Het apparaatje heeft iets weg van een pacemaker. Toch loopt deze vergelijking mank. Een pacemaker is namelijk minder gecompliceerd dan een ICD.

De geïmplanteerde Cardioverter Defibrillator vergaart voortdurend informatie over het hartritme. Dat gaat via geleidingsdraden. Zolang het hart regelmatig klopt is er niets aan de hand. Maar als het ritme van het hart sneller of trager gaat, slaat de ICD deze informatie op in de vorm van een grafiek. De arts kan die uitlezen. En als het dreigt mis te lopen, grijpt de ICD in. Waarover verderop meer.

Soorten ICD’s

Je hebt meerdere soorten ICD’s. Wat voor ICD iemand nodig heeft hangt af van de specifieke behoeften van de patiënt. Je hebt ICD’s met één kamer, met één geleidingsdraad (naar de rechterhartkamer); maar je hebt ook ICD’s met twee geleidingsdraden. Daarvan gaat er één naar de rechterhartboezem en één naar de rechterhartkamer. Het systeem met twee kamers biedt vanzelfsprekend meer mogelijkheden om ritmestoornissen op te sporen en te behandelen. Zo zijn er tweekamersystemen die zowel snelle boezemritmestoornissen als kamerritmestoornissen kunnen behandelen.

Werking

Even terug naar de functie en werking van een ICD. We hebben het dan over een minicomputer van om en nabij de 36 kubieke centimeter. De grafieken die deze kleine computer uittekent, zijn voor de arts heel waardevol. Na het uitlezen van de ICD middels een programmeerapparaat kan de arts waar nodig de instellingen aanpassen. Het apparaatje werkt op een batterij, die tussen de vijf of tien jaar meegaat. De ICD grijpt direct in bij hartritmestoornissen. Vaak merk je daarvan niets, omdat de ICD begint met het afgeven van stimulatiepulsen aan het hart en dat voel je niet. Meestal is dat genoeg om het gewone ritme te herstellen. Helpt dat niet, dan geeft de ICD een elektrische schok af. Zo kan een hartstilstand worden voorkomen. De ICD werkt ook als een gewone pacemaker: dat gebeurt als de hartfrequentie te traag is.

Katheteriseren

Katheteriseren is een onderzoek naar het hart en de kransslagaders via de bloedvaten. Daarbij worden dunne slangetjes, de zogenoemde katheters, gebruikt. Met deze slangetjes van enkele millimeters dikte kan de specialist bij het hart komen.

Met behulp van de katheterisatie kan naar de toestand van de kransslagaders gekeken worden, om eventuele vernauwingen op te sporen. Een katheterisatie kan ook gericht zijn op onderzoek van de hartkleppen. Ook kan de specialist zo meer te weten komen over de pompfunctie van het hart en eventuele hartritmestoornissen. Aan de hand van dit onderzoek bepaalt de arts welke behandeling noodzakelijk is.

Een katheterisatie volgt vaak op klachten van pijn op de borst, hartritmestoornissen, hartklepproblemen of een hartinfarct. In dat laatste geval kan de arts zien waar het hart beschadigd is en hoe groot die schade is.

Voor de behandeling is een plaatselijke verdoving nodig op de plek waar de katheter het lichaam in gaat. Daarnaast krijg je medicijnen om stolsel op de katheter te voorkomen. Ook rustgevende medicijnen kunnen desgewenst worden verstrekt, als je aangeeft angstig te zijn.

Een katheterisatie duurt ongeveer één tot anderhalf uur. Sommige patiënten voelen daarbij een kriebelend gevoel, hoewel de bloedvaten van binnen gevoelloos zijn. Na de katheterisatie zijn er enkele beperkingen waarmee je rekening moet houden. Zo is autorijden niet verstandig. Kom dus niet zelf met de auto naar het ziekenhuis, maar laat iemand anders rijden.

Wat betekent een hartkatheterisatie?

Middels een hartkatheterisatie worden de kransslagaders in beeld gebracht. Met deze coronair angiografie (CAG) kan ook afgelezen worden hoe de pompfunctie van het hart is, of de toestand van de hartkleppen. De kransslagaders voorzien het hart van zuurstof. Bij een vernauwing van deze slagaders krijgt het hart te weinig (of geen) zuurstof, en dat kan leiden tot een hartaanval. Om er achter te komen hoe de kransslagaders eruitzien en waar eventueel een vernauwing is, wordt een katheter door de bloedvaten naar binnen geschoven. Dat gebeurt vaak via de lies, tegenwoordig ook steeds vaker via de pols. Van daaruit wordt de dunne katheter naar het hart geschoven. Zo’n katheter is een hele dunne buis met gaatjes aan het uiteinde. Middels de katheter kan een contrastvloeistof worden ingespoten. Dat geeft de arts middels röntgenfoto’s een beeld van de toestand van hart en kransslagaders.

Het katheteriseren van het hart

Het katheteriseren van het hart is een ingreep waarin via de lies of de pols een dun buisje naar het hart wordt gebracht. Dat gebeurt door dat superdunne buisje door bloedvaten te schuiven. Met deze katheter kan de arts een contrastvloeistof inspuiten op de plek die onderzocht moet worden. Met behulp van een röntgenfoto kan de arts dan bekijken hoe het hart eraan toe is en of er vernauwingen zijn in de kransslagaders.

Pacemaker

Als een hart niet meer zelf in staat is om in een normaal ritme te kloppen, kan een pacemaker uitkomst bieden. De pacemaker helpt het hart in het juiste ritme te kloppen. Met behulp van een sensor bewaakt de pacemaker het juiste ritme van het hart. Als het hart hapert, geeft de pacemaker stroomstootjes af om het hart weer in het juiste ritme te krijgen. Dat gebeurt bij inspanning in een snellere opeenvolging dan bij rust.

De pacemaker is een apparaat dat onder de huid wordt geplaatst. Vanuit dat kleine apparaatje lopen elektrodedraden naar het hart. Die monden meestal uit aan de binnenkant van de hartwand. Het plaatsen van zo’n pacemaker door een cardioloog duurt over het algemeen zo’n anderhalf tot twee uur. Dat gebeurt met een plaatselijke verdoving en met rustgevende medicijnen. In sommige gevallen wordt de elektrode aan de buitenkant van het hart geplaatst. In dat geval is een hartoperatie onder narcose nodig.

In het geval van een hartritmestoornis zorgt het apparaatje ervoor dat de hartkamers in het juiste ritme blijven samentrekken. Pacemakers worden steeds kleiner en slimmer. De cardioloog kan advies geven over welke pacemaker het beste is voor jou.

Wanneer de pacemaker eenmaal geplaatst is, moeten de elektroden zo’n zes weken de tijd krijgen om vast te groeien in het hart. De cardioloog geeft aanwijzingen welke bewegingen je in deze periode moet vermijden, zoals het strekken en ronddraaien van de bovenarmen boven schouderhoogte (zwemmen!), het tillen van zware dingen en het verrichten van zwaar werk. Doe ook geen knellende kleding aan. De cardioloog en een specialist controleren regelmatig of de pacemaker bijgesteld moet worden. Tegenwoordig is er vaak sprake van monitoring op afstand, zodat je minder vaak naar het ziekenhuis hoeft.

De batterij gaat tussen de vijf en tien jaar mee. De cardioloog controleert of de batterij leeg dreigt te raken. Vervangen van de batterij is dan nodig: het gaat hierbij om een kleine ingreep.

Laat je ook goed informeren over storingsbronnen: sterke elektromagnetische velden kunnen de pacemaker storen. In dat geval helpt weglopen bij de storingsbron. Laat je adviseren door de cardioloog en/of de pacemakertechnicus. Desgewenst kan een onderzoek op de werkplek uitgevoerd worden.

Minimaal invasieve ingreep

Bij een minimale invasieve ingreep hoeft niet het hele borstbeen te worden geopend, maar alleen het bovenste deel. Dit brengt een aantal voordelen met zich mee:

  • meestal minder pijn
  • minder last bij het ademhalen
  • sneller herstel
  • sneller naar huis
  • kleinere littekens

De hartlongmachine wordt wel aangesloten, omdat het hart tijdens de operatie moet worden stil gelegd. De hartlongmachine zorgt ervoor dat er zuurstof en bloed wordt rondgepompt door het lichaam.

MitraClip Mitralisklepinsufficiëntie

De mitralisclip is een soort nietje dat bekleed is met kunststof dat direct op de mitralisklep wordt aangebracht, zonder dat de borstkas hoeft te worden geopend of je aan een hart-longmachine hoeft te liggen. De ingreep wordt wel uitgevoerd onder volledige narcose.

Om de mitralisklep te bereiken wordt in de liesstreek een katheter in een ader ingebracht en naar het hart gevoerd. Met behulp van deze katheter wordt de clip vervolgens op de mitralisklep aangebracht, waarna deze weer beter afsluit. Tijdens de procedure kan de arts de positie van de clip beoordelen en zo nodig corrigeren tot de gewenste optimale afname van de insufficiëntie is bereikt. Dit wordt gecontroleerd met behulp van een echo via de slokdarm.

Tot een maand na de behandeling moet zware inspanning vermeden worden. Ook kan het zijn dat er bloedverdunners worden voorgeschreven.

Complicaties die kunnen optreden zijn:

  • boezemfibrilleren
  • vorming van een bloedstolsel, het gevolg hiervan kan bijv. een trombosebeen of beroerte of zijn
  • blauwe plek in de lies
  • de kans op een spoedoperatie als gevolg van een medisch of technisch probleem is aanwezig, maar komt gelukkig zelden voor

Steunhart

Een steunhart is een mechanische pomp die de pompfunctie van een hartkamer kan overnemen. Deze vrij nieuwe techniek wordt op drie manieren gebruikt:

  • overbrugging naar herstel om een verzwakte hartspier een tijdje rust te geven
  • overbrugging naar transplantatie wanneer een donorhart niet direct beschikbaar is
  • als een alternatief voor een harttransplantatie

Het verschil tussen een steunhart en harttransplantatie is dat bij een harttransplantatie het eigen hart wordt vervangen, terwijl een steunhart naast het eigen hart functioneert. Met een steunhart blijft het eigen hart zoveel mogelijk zelf een bijdrage leveren. Het steunhart is een veelbelovende techniek die al volop wordt toegepast, maar ook nog altijd in ontwikkeling is.

Sleutelgatoperatie

Standaard is een bypassoperatie een openhartoperatie. Soms kan de chirurg echter kiezen voor een iets minder ingrijpende operatie: een sleutelgatoperatie. Een sleutelgatoperatie is een ingreep via een kleine opening in de borstkas. Deze behandeling kan met of zonder hartlongmachine worden uitgevoerd.

Een reparatie of vervanging van een klep kan ook uitgevoerd worden via de sleutelgatmethode, meestal is dit bij de mitralisklep. Je wordt wel aangesloten op de hartlongmachine, maar het risico is lager dan bij een openhartoperatie en het herstel gaat ook veel sneller.

TAVI (vervanging van de aortaklep m.b.v. een katheter)

Bij de TAVI-techniek wordt de nieuwe hartklep met een katheter (een lang flexibel buisje) in het lichaam gebracht en naar het hart gevoerd. Dit kan worden gedaan zonder de borstkas te openen of de hartlongmachine te gebruiken.

De katheter wordt ingebracht via de liesslagader, een kleine snede in de borstkas boven het hart, of in het midden van de borst in de aorta. Wanneer de nieuwe hartklep zich op de plaats van de verkalkte aortaklep bevindt, wordt de nieuwe hartklep op de juiste plaats gezet. Als de operatie niet mogelijk is via de lies kan de chirurg de nieuwe hartklep ook inbrengen via een kleine snede aan de linkerkant van de borstkas, via de punt van het hart.