default-header
HomeNieuwsRuis op de lijn

Ruis op de lijn

AandoeningBehandeling

maandag 26 september 2022, door Hartpatiënten Nederland

Of je nu jong of oud bent, onderliggend lijden hebt of verder kerngezond bent, je vaak intensief inspant of juist de rust bewaart: iedereen kan hartritmestoornissen krijgen. Oorzaken lopen sterk uiteen en bij de ene ritmestoornis is die duidelijker te herleiden dan bij de andere.

De cijfers zijn veelzeggend. Van alle Nederlanders met boezemfibrilleren is ruim de helft 75 jaar of ouder. En kijken we breder, naar de groep mensen met hartfalen, dan zien we dat twee derde van hen 75 jaar of ouder is. Ouderdom is een van de meest voorkomende oorzaken van hartproblemen, en zo ook van hartritmestoornissen. Het is een beetje een inkopper, maar net zoals dat de spieren, gewrichten en botten slijten naarmate u ouder wordt, doet het hart dat ook. Het prikkelgeleidingssysteem, dat elektrische prikkels vanaf de sinusknoop naar het hart geleidt, veroudert mee. Daardoor kunnen problemen ontstaan in de geleiding van die prikkels: het worden er te veel of juist te weinig, ze worden ergens opgehouden of nemen juist een onaangename omweg, of ze worden zo onregelmatig dat het hart de ene keer op hol slaat en de andere keer een slag overslaat. Hoewel ouderdom dus onlosmakelijk verbonden is met hartritmestoornissen, is het gelukkig geen gegeven dat patiënten daar niet nog véél ouder mee kunnen worden. Veel hartritmestoornissen zijn op iedere leeftijd goed te behandelen.

Hartritmestoornissen kunnen ook veroorzaakt worden door andere aandoeningen. Zo treden ritmestoornissen soms op na een hartinfarct. Dit is meestal tijdelijk, maar soms blijven ze, wanneer de hartspier blijvend is beschadigd. Dit kan ook gebeuren na een hartoperatie of door de gevolgen van een andere hartziekte. Ook problemen met de schildklier worden regelmatig gelinkt aan hartritmestoornissen. Een te snel werkende schildklier voert te veel schildklierhormonen naar de hartspier, waardoor deze het zwaar te verduren krijgt. Er kunnen hartkloppingen ontstaan. Werkt de schildklier te traag, dan is het juist andersom: een tekort aan het schildklierhormoon doet het hart langzamer kloppen. En dan zijn er nog de externe factoren die ervoor kunnen zorgen dat het hartritme wordt verstoord. Denkt u hierbij aan het (langdurig of veelvuldig) gebruik van tabak, alcohol en drugs, maar ook medicijngebruik kan zorgen voor een afwijkend hartritme.

Bij lang niet alle patiënten met een hartritmestoornis kan de precieze oorzaak achterhaald worden. Er wordt aan de lopende band wetenschappelijk onderzoek gedaan naar hartritmestoornissen om nog meer te weten te komen over hoe ze precies ontstaan en vooral: waarom. Een van de kartrekkers in Nederland op dat gebied is moleculair bioloog Bianca Brundel, specialist hartritmestoornissen aan het Amsterdam UMC. Al sinds 1996 doet zij onderzoek naar boezemfibrilleren en een aantal jaar geleden richtte ze samen met cardioloog-elektrofysioloog Natasja de Groot stichting AFIP op. Deze stichting zet innovatieve onderzoeken op naar de opsporing en behandeling van boezemfibrilleren.

Brundel en haar team stuitten een tijdje geleden op iets opvallends toen ze de resultaten analyseerden van een poll die ze op de website van AFIP hadden geplaatst. Mensen met boezemfibrilleren was gevraagd om aan te geven wat voor hen triggers en onderdrukkers zijn van een aanval. Een substantieel aantal van hen noemde pesticiden als aanstichter van hun verstoorde hartritme. “Dat is helemaal nieuw”, vertelt Brundel. “Ik ben dus gelijk de literatuur ingedoken en ontdekte weliswaar een paar case reports waarin een link met pesticiden werd gelegd, maar verder is er nooit wetenschappelijk onderzoek naar gedaan.” Daar gaat Brundel verandering in brengen. In september start een vijfjarig onderzoek waarin de rol van chemische bestrijdingsmiddelen in relatie tot hartritmestoornissen nader wordt bestudeerd. Deze middelen worden in de land- en tuinbouw gebruikt om insecten, schimmels en onkruid te bestrijden. Brundel benadrukt dat de studies nog niet zijn afgerond , maar de eerste laboratoriumonderzoeken tonen al wel aan dat blootstelling aan landbouwgif het risico op hartritmestoornissen vergroot.

Brundel werkt met dierproefvrije modellen die speciaal voor onderzoek naar boezemfibrilleren zijn ontwikkeld. Het gaat om gekweekte boezemhartcellen en fruitvliegen. Omdat de individuele hartcellen van de fruitvlieg sterk lijken op die van de mens, kan net als bij de gekweekte boezemcellen goed worden onderzocht wat het effect is van pesticiden op de hartfunctie. Ook zijn de cel- en fruitvliegmodellen zeer geschikt om er geneesmiddelen aan toe te voegen, zodat daarvan het effect kan worden geanalyseerd. Het onderzoek richt zich niet alleen op pesticiden, legt Brundel uit. “Uit de poll op de website van AFIP hebben we de meest genoemde triggers gedestilleerd. Zo noemde bijvoorbeeld dertig procent van de respondenten stress als belangrijke aanjager van een aanval. Hoewel dat natuurlijk al veel langer bekend is, is er gek genoeg nog nooit nader onderzoek gedaan naar de exacte correlatie tussen stress en boezemfibrilleren. Dat gaan wij nu dus wel doen. Ook gaan we dieper graven naar de genetische factoren die een rol spelen bij boezemfibrilleren. Daarvoor gaan we mensen uitnodigen die relatief jong zijn en het vermoeden hebben dat deze hartritmestoornis bij hen in de familie zit. Door hun DNA te bekijken, hopen we genetische variaties in kaart te brengen die kunnen leiden tot boezemfibrilleren.”

Door niet alleen te kijken naar het ‘wat’, maar vooral naar het ‘waarom’, hoopt Brundel dat behandelingen in de toekomst veel specifieker kunnen worden toegespitst op individuele patiënten. “Nu is het one size fits all. Als we straks per patiënt beter kunnen achterhalen waardoor bij hen het hartritme verstoord wordt, kun je veel meer toewerken naar patient tailored medicine.” Anders dan in vele andere wetenschappelijke onderzoeken, waar parate kennis en data centraal staan, gaan Brundel en haar collega’s het liefst zo veel mogelijk uit van de informatie en ervaringen van de patiënt zelf. “We gaan echt aan de slag met burgerwetenschap om effecten van stress en genetica en om in kaart te kunnen brengen of mensen die met bestrijdingsmiddelen werken een hoger risico lopen, wat het effect is op omwonenden van gebieden waar veel landbouwgif wordt gebruikt, en of we bijvoorbeeld hogere concentraties zien in bepaalde gebieden van Nederland. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen helpen op het gebied van preventie en om behandelmogelijkheden te verbeteren.”

Tekst: Yara Hooglugt
Beeld: HPNL

Dit artikel verscheen eerder in het HPNLmagazine.