Wat gebeurt er bij een ablatie?
Bij een gezond hart zorgt een natuurlijke elektrische prikkel ervoor dat het hart in een regelmatig ritme samentrekt. Bij een ritmestoornis worden er te veel of verkeerde prikkels afgegeven. Tijdens de behandeling brengt de arts via de lies een katheter (een dun, buigzaam slangetje) naar het hart. Via deze katheter wordt de exacte locatie van de ritmestoornis opgezocht. Vervolgens wordt het weefsel dat de storing veroorzaakt uitgeschakeld. Hierdoor:
- worden de verkeerde elektrische prikkels geblokkeerd;
- kan het hart weer in een normaal, rustig ritme kloppen;
- verminderen of verdwijnen de klachten van de ritmestoornis.
Oorzaken voor een ablatie
Een ablatie wordt vaak gekozen wanneer medicijnen onvoldoende werken, na verloop van tijd hun werking verliezen, of te veel bijwerkingen geven. De behandeling wordt onder andere toegepast bij:
- boezemfibrilleren of boezemflutter;
- het WPW-syndroom (Wolff-Parkinson-White);
- overslagen van het hart of aanhoudende hartkloppingen;
- andere complexe vormen van hartritmestoornissen.
De behandeling
De arts kan het verstorende weefsel op verschillende manieren uitschakelen:
- via verhitting (radiofrequente ablatie);
- via bevriezing (cryo-ablatie) Beide methoden zorgen voor kleine, gerichte littekentjes die de stroomgeleiding blokkeren. De ingreep gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving in combinatie met een roesje, of soms onder volledige narcose.
Leven na een ablatie
Na een ablatie kunnen de meeste patiënten weer een normaal en actief leven leiden. Soms duurt het een paar maanden voordat het hartritme volledig stabiel is. In sommige gevallen is een tweede behandeling nodig als de ritmestoornis na verloop van tijd terugkeert. Regelmatige controle bij de cardioloog blijft belangrijk om het herstel goed te monitoren.
Hartverhalen
Kenniscentrum
Help mee en doneer
Met jouw donatie kunnen we 1,7 miljoen hart- en vaatpatiënten onafhankelijk blijven ondersteunen.