default-header
HomeNieuwsNatuurlijk ritme / In het oude ritme

Natuurlijk ritme / In het oude ritme

Aandoening

maandag 26 september 2022, door Hartpatiënten Nederland

Zo veel hartritmestoornissen, zo veel medicijnen, behandelingen en operatiemogelijkheden. Ieder type ritmestoornis vergt weer een andere aanpak. We zetten de belangrijkste voor u op een rij.

Of een hartritmestoornis behandeld moet worden, hangt af van drie belangrijke W’s: Waar, Waarom en Welke klachten. Dat wil zeggen: de beslissing is afhankelijk van de plek waar de ritmestoornis ontstaat, wat daarvan de oorzaak is en hoe ernstig de gevolgen zijn. Die drie factoren kunnen enorm uiteenlopen en iedere patiënt is anders. In veel gevallen is medicatie of een ingreep nodig om het hartritme weer ‘in de pas’ te laten lopen, maar het gebeurt ook vaak genoeg dat een hartritmestoornis zo onschuldig is dat behandeling niet nodig is. Dit is het geval wanneer hartkloppingen slechts zo nu en dan plaatsvinden, en als het hartritme daarbij niet bijzonder afwijkt van het normale. Als ritmestoornissen frequenter beginnen op te treden en als er sprake is van hevige symptomen, is behandeling bijna altijd nodig. Voorbeelden van symptomen waarbij altijd actie is vereist, zijn duizeligheid, flauwvallen en pijn op de borst. Voor sommige patiënten is het voldoende om medicijnen in te nemen, bij anderen is een (aanvullende) ingreep nodig.

Medicijnen

Anti-aritmica. Zo worden middelen tegen hartritmestoornissen genoemd. De naam zegt het al: de hartritmestoornis genezen doet deze medicatie niet, maar het gaat de ritmestoornissen wel tegen.  Bètablokkers zijn hiervan een bekend voorbeeld. Dit middel, dat veel hartpatiënten voorgeschreven krijgen, zorgt ervoor dat de bloeddruk en hartslag daalt. Per minuut hoeft het hart minder bloed door het lichaam te pompen, waardoor het hart dus minder hard hoeft te werken en ritmestoornissen worden opgeheven. Datzelfde geldt voor calciumblokkers, die het hartritme vertragen door de werking van calcium te remmen. Naast deze middelen, die ook aan patiënten met andere hartritmestoornissen worden voorgeschreven, zijn er nog tal van andere anti-aritmica. Voorbeelden zijn flecaïnide, fenytoïne, propafenon en dysopiramide. Dit zijn allemaal verschillende werkzame stoffen die ieder weer net ietsje anders werken. Daarom wordt per patiënt en dus per type hartritmestoornis bekeken welke anti-aritmica het meest geschikt zijn om het hartritme ‘recht te trekken’. Meestal moet medicatie dagelijks worden ingenomen.

Ablatie

Als medicatie niet voldoende is om het hartritme rustig te krijgen, kan een ablatiebehandeling nodig zijn. Hierbij worden de elektrische prikkels geblokkeerd die zorgen voor de verstoring van het hartritme. Patiënten ondergaan eerst een elektrofysiologisch onderzoek om precies te kunnen lokaliseren waar en waarom een ritmestoornis ontstaat. Dat gebeurt met een katheter die via de lies wordt ingebracht. Tijdens de ablatiebehandeling zelf worden eveneens via de lies katheters ingebracht met elektroden aan de uiteinden. Deze elektroden worden verhit of gekoeld. De plek in de hartspier waar de problemen ontstaan, wordt vervolgens beschadigd. Omdat hier littekenweefsel ontstaat, kunnen de verstorende elektrische prikkels daar niet meer langs. De hartritmestoornis wordt hierdoor opgeheven.

Cardioversie

Bij patiënten met boezemfibrilleren of boezemflutter wordt soms gekozen voor een cardioversie. Dit kunt u zien als een soort ‘reset’ van het hart. Door met elektroden het hart één of meerdere elektrische schokken toe te dienen, wordt geprobeerd om het hartritme weer normaal te laten lopen. De patiënt ligt tijdens de behandeling onder narcose en aan de hartritmemonitor. Al tijdens de behandeling kan direct bekeken worden of de schokken nut hebben gehad. Blijkt dat (nog) niet zo te zijn, dan wordt nog maximaal drie keer een stroomtstoot toegediend. Meestal blijft boezemfibrilleren weg na een succesvolle cardioversie, maar in een enkel geval moet een patiënt toch terug naar het ziekenhuis voor bijvoorbeeld een aanvullende ablatie.

Mini-maze-operatie

Een mini-maze-operatie wordt voornamelijk uitgevoerd bij patiënten die al langere tijd met boezemfibrilleren kampen. Een arts kiest voor deze behandeling als medicatie niet effectief blijkt, of als eerdere ablaties of behandelingen ook hun doel misten. Een mini-maze is een kijkoperatie waarbij via de oksel een kleine camera en twee operatieinstrumenten naar het hart toe worden geleid. Hiermee wordt een litteken rond de longader gemaakt dat de verstorende elektrische prikkels moet blokkeren. Als één litteken niet voldoende is, worden er soms nog een aantal aangebracht aan de linkerboezem. Als het littekenweefsel zijn werk goed doet, wordt de elektrische geleiding in de hartspier weer helemaal op orde gebracht. Als de mini-maze-operatie geen soelaas biedt, kan nog gekozen worden voor een maze-operatie. Dit is een openhartoperatie onder narcose, waarbij via de borstkas een aantal littekens wordt aangebracht in de beide hartboezems. Ook worden deeltjes van de boezems bevroren om de verstoring van de elektrische prikkels tegen te gaan. Deze operatie heeft hetzelfde effect: doordat het littekenweefsel de prikkels blokkert, wordt de hartritmestoornis tegengegaan.

Pacemaker of ICD

Een pacemaker en een ICD zijn kleine apparaatjes die in het lichaam worden geïmplanteerd om het hart bij te staan op de kritieke momenten. Te beginnen bij de pacemaker: dit is een kastje dat in de meeste gevallen onder het sleutelbeen wordt geplaatst en dat in verbinding staat met het hart. De meeste mensen die een pacemaker krijgen, kampen met een te trage hartslag. De pacemaker signaleert het direct wanneer de hartslag omlaag gaat en zorgt er met een paar stroomstootjes voor dat het hartritme weer op het oude niveau gebracht wordt. Het is dus eigenlijk een soort steunpilaar: dreigt het hart even om te vallen, dan is daar altijd nog de pacemaker voor het broodnodige duwtje in de rug. Pacemakers bestaan al sinds 1932 en zijn sindsdien zo ver doorontwikkeld dat er al vele draadloze exemplaren bij patiënten geïmplanteerd zijn. Hoewel ziekenhuiscontrole nodig blijft en de batterij eens in de zo veel tijd vervangen moet worden, kan een patiënt verder een leven leiden zoals ieder ander.

De ICD wordt vaak gebruikt voor patiënten met ernstige, soms zelfs levensbedreigende hartritmestoornissen. Een ICD is dan ook een inwendige defibrillator die met een elektroschok een hartstilstand kan voorkomen. In minder ernstige situaties grijpt de ICD in bij een te trage hartslag, eveneens met elektrische schokjes die het hartritme weer op weg helpen. Ook dit apparaatje wordt meestal onder het sleutelbeen geplaatst. Direct na plaatsing wordt een test uitgevoerd door een ritmestoornis op te wekken. Zo kan worden getoetst of de ICD een afwijkend hartritme ook daadwerkelijk herkent, zodat hij kan ingrijpen.

Tekst: Yara Hooglugt
Beeld: HPNL

Dit artikel verscheen eerder in het HPNLmagazine.