Kwart minder sterfte door hart- en vaatziekten

"Een halve eeuw geleden was in Nederland nog sprake van het ’Stenen Tijdperk van de Hartgeneeskunde’"

VOORBURG – Er sterven steeds minder mensen in Nederland aan ziekten van het hart en de bloedvaten. Dat blijkt uit nieuwe gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Vijftig jaar geleden, in de jaren zeventig van de afgelopen eeuw, waren hart- en vaatziekten in Nederland een complete gezondheidsramp. Toen stierven in Nederlandse ziekenhuizen ruim 50.000 patiënten. Nu is dat aantal gedaald tot 37.000, in 2019. De teruggang van de hart- en vaatsterfte is bij mannen groter (33 procent) dan bij vrouwen (15 procent).

Jong vakgebied

De zorg voor het hart in de jaren 1960-1970 is, afgezet tegen de huidige technologische vooruitgang, wellicht nog het beste aan te duiden als het ’Stenen Tijdperk van de Hartgeneeskunde’. In die jaren kwam de behandeling van hartziekten in Nederland eigenlijk net van de grond, ja was de hartgeneeskunde relatief gezien een tamelijk jong medisch vakgebied dat hooguit 30 jaar bestond. Een patiënt met hartklachten kwam terecht bij een internist die een hartfilmpje maakte dat in een donkere kamer moest worden ontwikkeld en dat minstens een week nodig had om afleesbaar te zijn voor de dokter. Complexe hartproblemen waren toen nagenoeg een synoniem voor overlijden.
 
"Elke twee weken vertrok een vliegtuig naar Houston (VS) met aan boord 20-25 Nederlandse hartpatiënten"
 
In april 1974 verstoorden leden van de Nederlandse Hartpatiënten Vereniging (nu Stichting Nederlandse Hartpatiënten – niet te verwarren met de Hartstichting) een uur lang de vergadering van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij eisten aandacht voor de schrijnende situatie in de zorg aan hartpatiënten. Uitbreiding van het aantal hartoperaties bleef echter uit, er kwamen geen nieuwe hartchirurgische centra bij. Ook werd er actie gevoerd tegen het stilleggen van operaties in het stads- en academisch ziekenhuis van Utrecht. Met doodskisten trokken demonstranten door het centrum van de Domstad. Den Haag liet het afweten… Het bestuur van de Nederlandse Hartpatiënten Vereniging besloot daarom, na internationale consultaties, een luchtbrug naar de Verenigde Staten te openen. Het St. Luke’s Hospital, een vooraanstaande hartkliniek in Houston, bleek bereid maandelijks enkele tientallen ’hartpatiënten from Holland’ te opereren. De kliniek bleek over voldoende operatiecapaciteit te beschikken, een verademing vergeleken met de Nederlandse situatie. Kort daarop volgde ook het Texas Heart Institute aldaar.
 

Hartluchtbruggen

Nog datzelfde voorjaar, na vier jaren van protest, startte de luchtbrug tussen Nederland en de VS. Die zou uiteindelijk drie jaar stand houden. Een immense organisatie om honderden hartpatiënten uit alle delen van het land, medisch gescreend en wel, op het vliegtuig en bij de juiste artsen te krijgen. Elke twee weken vertrok een vliegtuig naar Houston met aan boord twintig tot 25 Nederlandse hartpatiënten. Maar ondanks de soelaas die Houston bood, bleef de hartnood onverminderd hoog in ons land. Het jaar daarop werd daarom een tweede luchtbrug geopend, naar het St. Anthony’s Hospital in London. Ook konden mensen voor een operatie ingreep terecht in Genève. Deze luchtbruggen bleven in tact tot begin jaren tachtig, toen de capaciteit van de Nederlandse hartcentra geleidelijk aan werd uitgebouwd. Hartpatiënten hoefden daarna niet meer naar het buitenland voor een levensreddende operatie. Het initiatief van de hartluchtbruggen had grote sympathie onder de Nederlandse bevolking.

 

Charles Dotter

Nederland liep dus behoorlijk achter op cardiologisch gebied, ook al waren er inmiddels verschillende verenigingen van hartspecialisten opgericht die wetenschappelijk aan de weg timmerden en ook internationale contacten hadden. Want in het buitenland, dáár gebeurden immers de grote dingen…! Technische ontwikkelingen die er uiteindelijk toe zouden doen.
 
Zo opende de technisch begaafde Amerikaanse radioloog Charles Dotter in 1963, eigenlijk per ongeluk, met een katheter een vernauwing in een slagader. Het ging de patiënt daarop plotseling – en geheel onverwacht – een stuk beter. Dat bracht dr. Dotter op een idee. Het jaar daarop verhielp hij, nu gepland en doelbewust, een obstructie in een bovenbeenslagader van een 82-jarige patiënte. De ingreep slaagde, de vrouw herstelde. Het ’dotteren’ was geboren. Overigens, zou het nog vele jaren duren voordat de medische wereld voor deze methode overstag ging. De mogelijkheden die Charles Dotter voor de cardiologie zag, werden namelijk eerst niet gedeeld door de hartspecialisten. Zij vonden zijn idee aanvankelijk maar niks. Pas halverwege de jaren zeventig zag een Zwitserse cardiologe het grote nut in van het dotteren.
 

Donorhart

Toen, in die jaren, waren inmiddels ook verbeterde harttransplantaties op gang gekomen. Nog altijd valt steevast de naam ‘Christiaan Barnard’ als wordt gesproken over dé grote medische vindingen die de geneeskunde, en de wereld van het hart in het bijzonder, voorgoed veranderden. Daarop valt ook niets af te dingen: de allereerste transplantatie van een menselijk hart bij een mens, uitgevoerd op 3 december 1967 door hartchirurg Barnard van het Groote Schuurziekenhuis in Kaapstad (Zuid-Afrika), was inderdaad een prestatie van formaat.
Maar er was meer gaande… Hoewel er vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw al ideeën bestonden om via chirurgische interventie belemmerde bloedstroom te herstellen, kwam de Argentijnse chirurg Favoloro, eveneens in 1967, op het idee om vernauwingen in de kransslagader te overbruggen. Mét een stukje ader uit het been. Favoloro’s methode, die hij veelbetekenend de bypass noemde, zou wereldwijd dagelijkse routine worden.
 

Uitzichtloze wachtlijsten

Weliswaar verbeterden internationaal de wetenschappelijke inzichten, maar tegelijkertijd nam het aantal patiënten met hart- en vaatziekten toe, hoofdzakelijk ten gevolge van de welvarende leefstijl in geïndustrialiseerde landen. In het Nederland van de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw leken de tijd en de wetenschappelijke vooruitgang in de cardiologie evenwel stil te staan. De capaciteit voor hartbehandelingen was ruim onvoldoende. Dagelijks stierven onnodig ruim vijftig Nederlanders aan kransslagaderziekten, terwijl zij op uitzichtloze wachtlijsten stonden voor een hart- of vaatoperatie.
 
"De mogelijkheden die Charles Dotter voor de cardiologie zag, werden namelijk eerst niet gedeeld door de hartspecialisten. Zij vonden zijn idee – ‘dotteren’ – aanvankelijk maar niks. "