Nederland moet aan de defribillator
Nog niet zolang geleden vertelde een medische journalist van een grote landelijke krant mij,onthutst,over een emotioneel voorval op zijn redactie. Hij was er zelf behoorlijk ontdaan van; hij moest even zijn hart luchten Eén van zijn collega’s van halverwege de vijftig jaar, die hij al vele jaren kende, was plotseling door een andere collega op de grond van de telexkamer gevonden. Hij bleek buiten bewustzijn. Even tevoren was de man nog aan het werk geweest en leek er niets aan de hand. Nu ja, het slachtoffer wist dat hij hartproblemen had en stond op het punt de uitslag van weer een nieuw hartonderzoek telefonisch te vernemen. Hij was dus nogal gespannen. Mogelijk dat de nervositeit het plotse hartfalen inleidde, luidde de hypothese. Het betreffende krantenbedrijf beschikt over een goed getrainde Bedrijfshulpverlening "een prima en goed gemotiveerde BHV" zei de journalist.
Een hulpdienst, bestaande uit medewerkers van allerlei afdelingen die regelmatig komen opdraven voor cursussen en praktijklessen en die zich met overgave voorbereiden op het bieden van hulp bij ongelukken. Maar vaak hoeven ze niet op te draven, hoewel het hoofdkantoor van het concern waar de BHV-ers werkzaam zijn ruim 1200 medewerkers telt en er de hele dag bezoekers in- en uitlopen.
Binnen een minuut waren de eerste BHV-ers ter plekke om hulp te verlenen.Door een goed geoliede organisatie redden de BHV-ers uiteindelijk hun collega. Door hem langdurig - met de hand - hartmassage te geven. De man werd door maar liefst drie hartstilstanden binnen drie kwartier getroffen. Zijn toestand was zeer kritiek. Toen de redactie hem al had opgegeven – "Het was een vreselijke toestand, we hadden die BHV-ers onvermoeibaar en eindeloos lang Kees pompend zien reanimeren" - kwam het bericht binnen dat de patiënt in het ziekenhuis buiten levensgevaar was. Na twee maanden verscheen de driedubbele infarctpatiënt weer op het werk; eigenlijk tot verwondering van zijn collega’s. Aan zijn bijna-doodervaring had hij slechts een pijnlijke borstkas over gehouden, vanwege een paar gekneusde en twee gebroken ribben. Zo intens was de reanimatie geweest...
Onmiddellijk na de traumatische gebeurtenis, medio vorig jaar, heeft het krantenbedrijf enkele AED’s, ofwel ‘automatische externe defibrillatoren’, aangeschaft. Die waren er tot dat moment niet. En ze bleken hard nodig. De aanschaf werd tot een prioriteit gemaakt. De BHV-ers zijn inmiddels volledig opgeleid in het omgaan met deze apparatuur die trefzeker levensreddend kan zijn als iemand plotseling door een hartstilstand wordt getroffen.
Dit voorbeeld dat ik als aangrijpend ervoer, is er ongetwijfeld een van velen. Ons stichtingsbestuur wordt wel vaker in kennis gesteld van vergelijkbare situaties. Het toont hoe belangrijk het is dat hulpverleners snel ter plaatse zijn. Het onmiddellijk kunnen beschikken over een defibrillator levert niet alleen tijdwinst op, maar geeft ook veel meer nauwkeurigheid in de noodhulp. Elk winkelcentrum, elke overheidsdienst en grote onderneming, maar ook elke sportaccommodatie, uitgaansgelegenheid of ouderensoos zou over één of meer van deze AED’s moeten beschikken. Evenals politiediensten en bewakingsbedrijven.We roepen het al jaren vanuit de Hartbrug. Het is dan ook verwonderlijk dat de Gezondheidsraad, het adviesorgaan van de minister van Volksgezondheid, er pas in de eerste weken van januari 2002 voor heeft gepleit de bediening van de zogeheten AED niet langer voor te behouden aan artsen, maar het gebruik door getrainde niet-medici ook ruimhartig toe te staan. Deze exclusieve medische handeling, zo vindt de Raad, dient daarom uit de Wet BIG (Beroepen Individuele Gezondheidszorg) te worden geschrapt. Bovendien, zo staat in het advies, doet de overheid er goed aan het gebruik van de AED zelfs aan te moedigen. En toepassing van de AED moet een